Gids voor het afbouwen van psychostimulantia

Deze pagina is onderdeel van het artikel ‘Gids voor het afbouwen van psychofarmaca‘. Andere afbouwgidsen zijn:

Deze gids is niet bedoeld om het stoppen met psychofarmaca aan te moedigen, maar is eerder een leidraad voor therapeuten en andere zorgverleners om cliënten/patiënten te ondersteunen die besloten hebben om te minderen of stoppen met psychofarmaca na overleg met hun arts. Onder psychofarmaca verstaan we geneesmiddelen die tot doel hebben de geestelijke toestand te veranderen, ze werken in op het centrale zenuwstelsel, met name de antidepressiva, benzodiazepines (slaap- en kalmeermiddelen, anti-epileptica), psychostimulantia (methylfenidaat en amfetamine-derivaten) en antipsychotica.

Inleiding

Psychostimulantia zijn middelen met een dopaminerg en stimulerend effect in het centrale zenuwstelsel. Dopamine is de directe precursor van noradrenaline, een stof die de pompwerking van het hart versnelt en de bloedruk verhoogt. In dit artikel bespreken we methylfenidaat en dextro-amfetamine. Psychostimulantia worden voorgeschreven bij mensen met ADD/ADHD, autisme, narcolepsie, depressie, vermoeidheid en burn-out, waarvan een deel off-label (ref-1ref-2).

Farmaceutische en medische professionals omschrijven ADHD als een ‘stoornis van de remfunctie van de hersenen’, veroorzaakt door een tekort aan dopamine. Zoals we verder zullen zien in het hoofdstuk ‘Glutamaat en antibeloning’ wordt het dopamine-tekort veroorzaakt door overmatige activiteit van glutamaat, de rempedaal het dopamine-beloningssysteem (ref-1ref-2ref-3). In plaats van meer dopamine door psychostimulantia, zijn de hersenen eerder geholpen door het rempedaal te verminderen. Het heeft immers weinig zin om meer gas te geven als men tegelijk remt.

Dit artikel is een handleiding voor zorgverleners die de epigenetische dynamiek van psychostimulantia, de dopamine problematiek, het afbouwproces en het herstelproces beter willen begrijpen. In het laatste deel worden de leefstijladviezen en de voedingssupplementen beschreven.

Indeling

Werkingsmechanisme van psychostimulantia

1. Methylfenidaat
2. Dextro-amfetamine

Langetermijneffecten van psychostimulantia

Dopamine en beloning

1. Verwachting en innerlijke programmering
2. De aansturing van dopamine
3. De wisselwerking tussen dopamine en insuline
4. Epigenetische adaptaties
5. TRPV1-downregulatie
6. TRPV1-overgevoeligheid

Glutamaat en antibeloning

Afbouwen van psychostimulantia

De weg naar herstel

  • Levensstijladvies
  • Voedingssupplementen: afbouwen en stoppen met psychostimulantia
  • Voedingssupplementen: slaapproblemen

BrainQ checklist

Aanbevolen literatuur

Aanbevolen opleiding

 

—————————————————————————

Werkingsmechanisme psychostimulantia

1. Methylfenidaat 

Methylfenidaat is een psychostimulantium dat voor het eerst in 1944 werd geproduceerd (ref). Het middel wordt zowel in een kortwerkende als langwerkende vorm voorgeschreven. Merknamen met een korte werking zijn Ritalin® in Nederland en Rilatine® in België. Medikinet®, Equasym® en Concerta® hebben een vertraagde afgifte van methylfenidaat.

Volgens het Instituut voor Verantwoordelijk Medicijngebruik (IVM) gebruikt één op de vier studenten Ritalin® off-label bij het studeren als cognitive enhancement (ref). In het basis- en secundair onderwijs wordt methylfenidaat vooral gebruikt onder druk van scholen, terwijl er niet altijd een diagnose ADHD is gesteld (ref). Desondanks zijn er geen aantoonbare effecten dat Ritalin® na twee tot drie jaar bij de meeste kinderen met ADHD nog werkt (ref). Dat laat groot Amerikaans onderzoek zien. Deze onverwachte bevinding heeft in Nederland tot nu toe echter nauwelijks aandacht gekregen (ref).

Methylfenidaat remt de heropname van dopamine en noradrenaline, met als effect dat de werkingsduur van deze stoffen wordt verlengd. Andere werkingsmechanisme van methylfenidaat zijn:

  • Toename van glycine (ref); glycine heeft een glutamaat-remmend effect. Het is een van de redenen waarom mensen rustig worden van methylfenidaat. Bij mensen met genetische defecten (SNP’s) in de glycine- huishouding kan glycine in sommige gevallen stress veroorzaken. Zij worden dan onrustig, in plaats van rustig.
  • Afname van anandamide en 2-AG (ref); de twee regulators (agonisten) van het endocannabinoïde systeem. Anandamide is een stofje dat verbinding, tevredenheid en empathie reguleert. Afname van anandamide veroorzaakt gevoelsafvlakking, een van de bijwerkingen van methylfenidaat en dextro-amfetamine. Gevoelsafvlakking is het tegenovergestelde wat een kind nodig heeft om zich emotioneel te kunnen ontwikkelen.
  • Toename van endorfine (ref); het geeft een gevoel van rust. Endorfine stimuleert de activatie van dopamine.
  • Toename van GABA (ref); bij het stimuleren van dopamine komt GABA vrij, waardoor men rustiger wordt.
  • Vermindering van glutamaat (ref); in de eerste fase is er een vermindering, maar zodra methylfenidaat is uitgewerkt neemt glutamaat en dynorfine flink toe (ref), twee stofjes die het rebound-effect veroorzaken.
  • Toename van histamine (ref); in de prefrontale cortex. Histamine stimuleert de vrijgave van dopamine en veroorzaakt hyperactiviteit. Histamine creëert ‘schijnenergie’ door het stresssysteem te activeren. Mensen die verslaafd zijn aan stress en workalcoholics halen hun energie vaak uit de histamine-dopamine route.
  • Toename van dopamine; via het stimuleren van CRH, endorfine, enkefaline en histamine.
  • Verhoogde opname van glucose (ref); de dopaminerge activatie is gekoppeld aan de gevoeligheid van insuline. Vandaar dat psychostimulantia minder effectief zijn bij gevorderde insulineresistentie. Langdurige inname veroorzaakt insulineresistentie.
  • Toename van stikstofmonoxide (ref); NO werkt als een heropnameremmer van dopamine, serotonine en noradrenaline. Mensen met glutamaatdominantie en te hoge nitrosatieve stress worden vaak onrustiger in plaats van rustiger door gebruik van psychostimulantia.
  • Toename van BDNF (ref); deze stof verhoogt dopamine in de hersenen. Langdurig gebruik heeft een omgekeerd effect, waardoor BDNF afneemt (ref).
  • Remming van het groeihormoon; gebruik van methylfenidaat vermindert de groei. Bij een kind van 3 jaar is er zo’n twee centimeter minder groei en bij een kind van 10 bijna vijf centimeter (ref).
  • Activeert de nicotinerge acetylcholinereceptoren (ref); deze receptoren activeren het dopamine stimulerend effect van nicotine, wat maakt dat iemand meer gaat roken. In deze situatie wordt de ene stimulans vervangen door de andere, het zogenoemde ‘gatewayeffect’.
  • Remt het IGF-1 hormoon (ref); een groeifactor. IGF-1 heeft een herstellend effect op beschadigde neuronen in de hersenen. IGF-1 piekt tijdens de pubertijd.
  • Toename van de oxidatieve en nitrosatieve stress (ref); deze kan flink toenemen, tot meer dan driehonderd procent bij gebruik van dextro-amfetamine (ref).
  • Afname van ATP (ref); de energiemolecule die de cellen van energie voorziet. Lusteloosheid en moeheid slaan toe zodra psychostimulantia zijn uitgewerkt.

Een andere psychostimulans is Modafinil, bekend onder de naam bekend als Provigil® of Modiodal®. Modafinil wordt door militairen gebruikt als uithoudingsmiddel (ref). In Nederland is Modafinil vooral populair als smartdrug en onder studenten om de leerprestaties te verbeteren (ref).

Methylfenidaat en verslaving

Methylfenidaat is volgens onderzoek niet verslavend, althans in orale toediening (ref). Om verslaving op te wekken moet een middel, of dat nu een opioïde pijnstiller, cocaïne of methylfenidaat is, een serotonine versterkend effect hebben in combinatie met een stof die het beloningssysteem activeert zoals dopamine, endorfine en/of anandamide. Methylfenidaat heeft een verwaarloosbare serotonerge werking. Dat verandert als methylfenidaat wordt gecombineerd met serotonerge middelen zoals antidepressiva, dan ontstaat volgens professor Van Waes een combinatie die verslaving opwekt (ref-1ref-2). Aangezien methylfenidaat wel vaker wordt voorgeschreven met antidepressiva, kan stoppen met methylfenidaat in dat geval lastiger zijn.

Methylfenidaat en dopamineresistentie

De efficiëntie van dopamine – en andere neurotransmitters en hormonen – wordt bepaald door het aantal receptoren. Kinderen met ADHD die een lage dosering methylfenidaat nemen, vertonen na drie maanden een afname van de dopaminereceptoren met twintig procent (ref). Afname van de dopaminereceptoren is de basisdynamiek van dopamineresistentie, wat wordt verergerd door hogere doseringen en een langere gebruiksperiode. Bij zwaardere middelen zoals dextro-amfetamine kan het verlies oplopen tot meer dan 75%.

Resistentie is een schoolvoorbeeld van epigenetische adaptatie door psychostimulantia, wat ook geldt voor andere psychofarmaca. Wat tevens de reden is waarom er tolerantie optreedt en de dosering moet verhoogd worden. Eenmaal men stopt, voelt men de effecten van resistentie eens zo hard. Psychiater Jason Yanofski noemt dit fenomeen ‘paradoxale decompensatie’ (ref-1ref-2) omdat psychostimulantia de aandoening verergeren.

Oorzaken waarom methylfenidaat niet goed werkt

Bij sommige mensen werkt methylfenidaat niet. Een van de oorzaken is ijzertekort (ref) – ijzer is nodig om dopamine te activeren. Volgens de Wereldgezondheidsorganisatie is ijzertekort de meest voorkomende deficiëntie. Geen overdreven uitspraak, aangezien maar liefst twee miljard mensen hieraan lijden. Bij een onderzoek waarbij 37 deelnemers gedurende een jaar glutenvrij aten, zag men een verhoging van de ijzerwaarden (ref). Kaempferol verhoogt het ijzergehalte in het bloed door het simuleren van het HO-1-enzym (ref).

2. Dextro-amfetamine

Dextro-amfetamine (DA) behoort net als methylfenidaat tot de psychostimulantia, met dit verschil dat het vele malen sterker is. DA is in Nederland geregistreerd als dexamfetaminesulfaat FNA®, Amfexa® en Tentin®. In België is DA uitsluitend verkrijgbaar als magistrale bereiding (anno 2021). Amfetamine werd voor het eerst geproduceerd rond 1920, vooral in Duitsland, waar het werd ingezet in WO 2 (ref). De Nederlandsche Cocaïnefabriek produceerde geen amfetamine.

DA wordt meestal voorgeschreven als methylfenidaat niet (meer) werkt. Alleen is er een probleem: het veroorzaakt al na een aantal dagen tolerantie. DA is een geneesmiddel dat zeer snel verslaving opwekt. DA activeert dezelfde routes als methylfenidaat, maar dan uitvergroot. DA is een noradrenaline- en dopamineheropnameremmer en activeert een aantal bijkomende routes:

  • Toename serotonine (ref); het grote verschil met methylfenidaat is dat DA een serotonine-heropname-remmer is, zoals we ook zien bij antidepressiva (SSRI’s). Serotonine versterkt het effect van dopamine vele malen. Volgens de Franse professor Vincent Van Waes is dit de reden dat DA sneller verslaving opwekt. Langdurig DA gebruik put serotonine uit, bij dieren die 10 dagen een therapeutische dosering DA nemen, daalt serotonine tot 67% (ref), wat deels verklaart waarom psychostimulantia depressie bevorderen (ref).
  • MAO-remmer (ref); een ander verschil met methylfenidaat is dat DA de werking van het MAO-A-enzym remt, waardoor er meer dopamine beschikbaar blijft.
  • Toename van CRH (ref); het stresshormoon dat dopamine activeert (ref). Methylfenidaat heeft minder effect op de toename van dit hormoon. Langdurig gebruik van DA veroorzaakt een uitgeput stresssysteem (HPA-as) (ref).

Langetermijneffecten van psychostimulantia

Wat zijn de langetermijneffecten van het langdurig gebruik van methylfenidaat en dextro-amfetamine? Onderzoek laat het volgende zien:

  • Langdurig gebruik bij kinderen veroorzaakt op volwassen leeftijd GABA-problemen en hyper-glutamaat (ref).
  • De kans op hartritmestoornissen neemt toe met 61% (ref).
  • De kans op Parkinson neemt toe met 860% (ref).
  • De kans op Alzheimer neemt toe met 500% (ref).
  • Neurogenese in de hersenen neemt af (ref). Neurogenese is het herstel en de aanmaak van nieuwe hersencellen, onder meer via neurotrofe stoffen zoals BDNF en endorfine. Tegelijk veroorzaken psychostimulantia een verschrompeling van de hippocampus, waardoor de stressgevoeligheid en vergeetachtigheid groter worden (ref). In een gevorderd stadium kan dit leiden tot Parkinson en Alzheimer.
  • Toename van de oxidatieve stress in de hersenen en de rest van het lichaam, soms met meer dan 300% (ref-1ref-2).
  • Verminderde aanmaak van mitochondria in de cellen waardoor er minder energie wordt aangemaakt (ref).
  • Verminderde ontgifting (ref) door depletie van glutathion en de P450-enzymen die geneesmiddelen en andere chemische en toxische stoffen afbreken.
  • Verminderde groei bij kinderen (ref). Na drie jaar gemiddeld 2 centimeter en na 10 jaar gemiddeld 5 cm.
  • Afname van BDNF, het lichaamseigen stofje met een antidepressieve werking dat de hersencellen herstelt (ref).

 

Langdurig gebruik van methylfenidaat en dextro-amfetamine heeft een neurotoxisch effect. De hersenen worden aangetast door hyper-glutamaat, oxidatieve en nitrosatieve stress en afname van neurotrofe factoren zoals BDNF en endorfine, wat leidt tot een 500% en 830% hogere kans op het ontwikkelen van Alzheimer en Parkinson. Het voorgaande is vermoedelijk het topje van de ijsberg. Gaat men de hersenen onderzoeken bij dieren zien we een sterke toename van hippocampus-atrofie, een aandoening waarbij het volume van de hippocampus afneemt en andere hersenaantastingen (ref).

In 2017 zijn de kosten voor dementiezorg 9,3 miljard (ref). Dit komt overeen met 10,5% van de totale kosten in de Nederlandse gezondheidszorg. Rekening houdend met de hoge kosten voor dementiezorg kan men stellen dat het gebruik van psychostimulantia de belastingbetaler handenvol geld kost.

Dopamine en beloning

1. Verwachting en innerlijke programmering

Het dopamine-beloningssysteem wordt geactiveerd door verwachting. We zien bijvoorbeeld een mooie wagen, een lekker stuk taart, een foto van een parelwit strand of een aantrekkelijke persoon. Het beloningssysteem was in oorsprong bedoeld om ons tot daden aan te zetten, wat onze kans op overleving ten goede komt. Eenmaal we iets hebben, zakt dopamine en het voldane gevoel weg als sneeuw voor de zon. De reden is dat dopamine onverzadigbaar is, het is een soort drug die ons weliswaar tot actie aanzet, maar geen blijvende tevredenheid kan realiseren. Deze dynamiek van het onverzadigbare verlangen is de motor die de materialistische en hedonistische maatschappij aandrijft.

Als dopamine niet goed werkt, hebben we uitstelgedrag en weinig motivatie, kenmerken die we ook zien bij mensen met ADD/ADHD, depressie en hyper-glutamaat. Dat laatste onderwerp wordt besproken bij het hoofdstuk: ‘Glutamaat en antibeloning’. 

Beloning is essentieel om hechting en socialisatie optimaal te laten verlopen. Indien sociale processen weinig dopaminepunten en alleen maar stress opleveren, vermindert de motivatie om te socialiseren. Bijvoorbeeld mensen met hoge glutamaat-waarden hebben zo veel negatieve prikkels en spanning in hun hoofd dat ze sneller geïrriteerd raken door hun omgeving. Deze mensen hebben een voorkeur voor een rustige niet-belastende omgeving omdat ze moeite hebben met het verwerken van teveel prikkels. Kenmerken die we ook zien bij mensen met autisme, ADD/ADHD, PTSS, hooggevoeligheid en hoogsensitiviteit.

Ons gedrag wordt grotendeels bepaald door de ‘dopamine-jackpot, het hedonistische principe. We voelen ons het meest aangetrokken en gemotiveerd door dingen, omstandigheden en mensen die binnen ons ‘innerlijk systeem’ van overtuigingen en ervaringen de meeste dopaminepunten opleveren. Vaak is deze innerlijke programmering onbewust, we kunnen bijvoorbeeld in een roes komen door een bepaalde geur, smaak of blik. Deze programmering is bij elke mens anders, vandaar dat iedereen andere voorkeuren heeft. Doch de basis is hetzelfde, we willen graag dat de dopamine-jackpot blijft draaien. Dat kan op verschillende manieren; door troostvoeding (bv suiker en exorfinen, dit zijn opiaten uit gluten, zuivel en soja), seks, porno, ambitie, macht, status en geld. Doch er is ook een andere niet-ego route; verbinding, socialisatie, mededogen en maatschappelijk engagement. Deze laatste route wordt aangestuurd door het endocannabinoïde systeem.

2. De aansturing van dopamine

Intensieve ervaringen maken meer dopamine vrij. Toch kunnen dezelfde ervaringen na verloop van tijd minder intens worden. Tot op het punt dat iemand nog amper plezier beleefd. Dat heeft voor een groot deel te maken met de onderliggende neurofysiologische aansturing. Bijvoorbeeld als de hersenen teveel stress en glutamaat moeten verwerken, dan zal het beloningseffect afnemen. Het beloningseffect wordt dus niet alleen bepaald door wat we meemaken, maar ook door de gevoeligheid van het beloningssysteem.

Dopamine is een stofje dat via verschillende routes wordt aangestuurd. Het dopamineplezier dat we ervaren bij het socialiseren verloopt via een andere route dan de dopaminepiek die loskomt bij het kicken op stress en gokken. Al deze routes hadden in oorsprong een evolutionair voordeel, namelijk het vergroten van de overlevingskansen van de mens. Ondertussen leven we niet meer in de oertijd wat problemen creëert voor het beloningssysteem. We waren in de oertijd immers niet gewend aan een omgeving met een ‘kant en klare overdaad’.

Hoe meer we het beloningssysteem op volle toeren laten draaien – hetzij onder de vorm van troostvoeding, alcohol, vreetbuien, porno, verslavingen of wat dan ook – des te minder gevoelig functioneert het beloningssysteem. Toevallig zijn dezelfde stofjes die het beloningssysteem aansturen, ook de stofjes die stress moeten afremmen. Immers beloning gaat meestal gepaard met een gevoel van rust. Mensen met een verzwakt beloningssysteem hebben dus ook stressproblemen. Op dat punt beland, gaan mensen naar hun arts om hun klachten die vanuit een verkeerde levensstijl ontstaan te corrigeren met geneesmiddelen. Deze dynamiek verklaart voor een groot deel waarom geneesmiddelen zo populair zijn, door de ‘comfort-geneeskunde’ hoeft de patiënt zijn levensstijl niet te veranderen.

De stofjes die dopamine aansturen zijn endorfine, oxytocine, het endocannabinoïde systeem (anandamide), stress (CRH en histamine), insuline en BDNF. Elk van deze stofjes hebben een andere functie. Sommige hebben te maken het ego, overleving, lust, genot en voortplanting. De sociale aspecten van het beloningssysteem worden dan weer aangestuurd door oxytocine en anandamide.

De complexiteit van de dopamine problematiek en de variaties binnen de ADHD groep worden grotendeels bepaald door problemen met de aansturing van dopamine en remming van glutamaat. Bijvoorbeeld bij mensen met anandamide-resistentie levert hechting en socialisatie meer stress dan beloning op, dat zien we bijvoorbeeld bij autisme en ADD. In het boek ‘De epigenetica van ADHD en glutamaat‘ worden deze verbanden in detail uitgelegd.

3. De wisselwerking tussen dopamine en insuline

Meer dan 90% van de dopaminerge activiteit in de hersenen is afhankelijk van insuline (ref-1ref-2ref-3). Hierbij speelt de insulinegevoeligheid een centrale rol. Naarmate insulineresistentie toeneemt, wordt er minder dopamine geactiveerd (ref-1ref-2 – ref-3). Mensen met een dopamine-probleem hebben dus ook een insuline-probleem en omgekeerd.

Dopamine reguleert de insulinehuishouding in de pancreas (ref-1ref-2). Dopamine remt de insulinerespons wanneer de bloedsuiker toeneemt. Voor zorgverleners is dit een verassing omdat ze geleerd hebben dat dopamine alleen maar in de hersenen werkt. In realiteit beïnvloeden neurotransmitters meerdere gebieden in het lichaam, ook buiten het zenuwstelsel. GABA bijvoorbeeld reguleert het immuunsysteem zonder dat daar een zenuwcel aan te pas komt. De begrippen ‘neurotransmitter’ en ‘psychofarmaca’ zijn vanuit deze context achterhaald omdat ze een veel bredere werking hebben.

Psychostimulantia veroorzaken overstimulatie, wat de reden is waarom ze werken. Overstimulatie verergert het initiële dopamine probleem omdat het (nog meer) resistentie tot gevolg heeft. Dezelfde dynamiek zien we met suiker en insulineresistentie. Vanuit deze context zijn psychostimulantia kortetermijnoplossingen met langetermijngevolgen. Psychostimulantia ontregelen de cellen, weefsels en organen waarmee ze in contact komen. Deels omdat cellen niet bestand zijn tegen een chronische toestand van hyper-dopamine. Het toenemende aantal mensen met chronische aandoeningen, kanker en allergieën wordt niet alleen veroorzaakt door verkeerde voeding en een zittend leven. Dat debat – dat zeker de moeite waard is – moet de aandacht afleiden van een andere minstens even belangrijke oorzaak; het toenemend gebruik van psychofarmaca.

Dopamine remt de insulinerespons op glucose, ook bij gezonde personen (ref). Dat betekent dat hoe meer dopamine er in omloop is, hoe minder insuline er vrijkomt als de bloedsuiker stijgt (ref-1 ref-2). De effecten van hyperglycemie door psychostimulantia is in sommige gevallen vergelijkbaar met onbehandelde diabetes (ref-1ref-2ref-3). ‘Dopamine-jagers’ zoals workalcoholics hebben vaker problemen met hun bloedsuikerwaarden.

In 2015 werd in de hersenen van niet obese mensen de interactie onderzocht tussen insuline en dopamine. De onderzoekers maakten gebruik van een zogenoemde dopaminerge radiotracer, een radioactieve kleurstof die de dopaminereceptoren kleurt zodra ze actief worden (ref). De insulinegevoeligheid werd gemeten via het bloed. Het leverde twee interessante bevindingen op:

1: bij insulineresistentie ontstaat dopaminetekort en dopamineresistentie. Dat betekent dat de werking van dopamine bijna volledig afhankelijk is van de insulinegevoeligheid,

2: bij dopaminetekort ontstaat insulineresistentie. Om dit te compenseren maakt het lichaam meer insuline vrij in de bloedbaan, maar zonder dat dit effect heeft op de bloedsuikerspiegel. Met andere woorden: als er te weinig dopamine is, werkt insuline niet meer zo goed. Wat gelijk de vraag doet rijzen of insuline bijspuiten de enige manier is om diabetes te behandelen?

Uit onderzoeksresultaten blijkt dat mensen met ADHD insulineresistent zijn (ref-1ref-2). Wat tevens de reden is waarom kinderen met ADHD suikerverslaafd zijn. Voor hun is suiker een manier om het dopaminetekort aan te vullen. Een tweede bevinding is dat ADHD-kinderen met gameverslaving een meer gevorderde insulineresistentie hebben dan ADHD-kinderen zonder gameverslaving, wat ook geldt voor andere verslavingen (ref). De onderzoekers gaan nog een stap verder en stellen dat de ernst van ADHD-symptomen zoals impulsiviteit, agressie en problemen met de zelfregulatie, een direct gevolg zijn van de mate van insulineresistentie (ref). M.a.w. de ernst van de ADHD-problemen en comorbiditeiten zijn direct gerelateerd aan de mate van insulineresistentie. Dit impliceert dat het herstellen van de insulinegevoeligheid cruciaal is voor een goede dopamine-werking.

Uit het voorgaande kunnen we afleiden dat dopamine en insuline onlosmakelijk met elkaar verweven zijn. Wie last heeft van insulineresistentie, moet zijn dopaminehuishouding onder controle krijgen en omgekeerd. In het laatste hoofdstuk ‘De weg naar herstel’ worden een aantal herstelfactoren besproken. Onder meer aanpassing van de voeding en regulatie van het endocannabinoïde systeem staan centraal in het herstel van dopamine en insuline.

4. Epigenetische adaptaties

Epigenetische adaptaties ontstaan als gevolg van veranderende omgevingsfactoren. Dankzij deze aanpassingen kan de mens overleven in verschillende (extreme) omgevingen. Echter de meeste epigenetische aanpassingen die het gevolg zijn van ‘moderne’ invloeden zoals troostvoeding, chronische belastende stress, geneesmiddelen en andere toxische invloeden, veroorzaken chronische aandoeningen. Vervolgens worden deze epigenetische aandoeningen behandeld met geneesmiddelen.

Overmatig gebruik van geneesmiddelen is een belangrijke oorzaak van ADHD, deels omdat ze defecten veroorzaken in de dopamine/glutamaat huishouding. In België krijgt meer dan de helft van de baby’s antihistaminica. Onderzoek toont aan dat het gebruik van antihistaminica voor de leeftijd van twee jaar de kans op ADHD met 88% doet toenemen (ref-1ref-2). Andere medicinale oorzaken van ADHD zijn algemene verdoving voor de leeftijd van twee jaar (ref) en prenataal gebruik van antidepressiva, opioïde pijnstillers en paracetamol (ref-1ref-2ref-3ref-4).

Onderzoekers maken gebruik van ‘filters’. Bijvoorbeeld depressieve moeders die geen antidepressiva gebruiken tijdens de zwangerschap – maar wel ervoor – worden uit de statistieken weggefilterd. Terwijl onderzoek aantoont dat antidepressiva en andere geneesmiddelen epigenetische adaptaties teweegbrengen (ref-1ref-2ref-3ref-4). Dit gebrek aan ‘epigenetische verantwoordelijkheid’ (ref-1ref-2  – ref-3ref-4) is typerend voor de toegepaste farmacologie. Aangezien deze sector soepel omgaat met het begrip ‘zelfregulatie’, stelt Maria Hedlund dat epigenetische verantwoordelijkheid een politieke kwestie is (ref).

Volgens Kristen Hessler hebben ouders ook een ‘epigenetische verantwoordelijk’  (ref). Dat weten we al van roken en alcohol, maar er spelen ook andere factoren (ref). Alleen worden deze factoren niet gecommuniceerd naar ouders. We weten bijvoorbeeld dat overgewicht bij de moeder de kans op ADHD met 62% verhoogd (ref). Troostvoeding tijdens de zwangerschap veroorzaakt tot 300% resistentie van endorfine en dopamine (ref), methylatieproblemen met IGF-2 (ref) en het verhoogt de kans op ADHD aanzienlijk (ref). Epigenetische adaptaties in de dopamine/glutamaat huishouding ontstaan ook voor bevruchting. De bevruchting is immers het moment dat de epigenetische adaptaties worden overgedragen op de volgende generatie, dit proces omvat de levensstijl van beide ouders (ref-1ref-2).

5. TRPV1-downregulatie

Een belangrijke oorzaak waarom methylfenidaat en dextro-amfetamine niet werken is TRPV1-receptor downregulatie (ref-1ref-2). TRPV1 is een receptor die de vrijgave van dopamine stimuleert via endorfine en het endocannabinoïde systeem (ref-1ref-2ref-3). TRPV1 zorgt er tevens voor dat endorfine niet resistent wordt (ref). Endorfine is de belangrijkste route om dopamine te activeren, ook via het endocannabinoïde systeem (ref-1ref-2ref-3ref-4).

TRPV1-receptor downregulatie heeft verschillende oorzaken die meestal vanuit dezelfde route ontstaan, namelijk overstimulatie van endorfine, hetzij door chronische pijn, trauma’s, toxische stress, opioïde pijnmedicatie, paracetamol, NSAID’s, opiaten uit voeding (exorfinen: gluten, zuivel en soja), algemene verdoving, alcoholmisbruik en langdurig gebruik van dextro-amfetamine (ref-1 – ref-2 – ref-3 – ref-4 – ref-5ref-6ref-7ref-8). Indien lage doseringen dextro-amfetamine geen effect hebben, kan het verhogen van de dosering de TRPV1-receptor downregulatie verergeren of doen omslaan in TRPV1-overgevoeligheid.

6. TRPV1-overgevoeligheid

Bij TRPV1-overgevoeligheid reageren de TRPV1-receptoren net omgekeerd waarvoor ze in oorsprong geprogrammeerd zijn. Ze activeren geen beloning meer, hebben niet langer een pijnstillende werking en remmen geen stress en angsten meer. Het is een van de meeste complexe aandoeningen om te behandelen vanuit de epigenetica, omdat er zoveel factoren bij betrokken zijn. De oorzaken zijn dezelfde dan bij TRPV1-downregulatie, doch vermoedelijk spelen genetische afwijkingen (SNP’s) en transgenerationele overdracht van epigenetische adaptaties – bv. bij trauma van de ouders, ook een rol.

TRPV1-overgevoeligheid zien we vooral bij chronische pijnklachten, PTSS, CVS, fibromyalgie, MCS (meervoudige chemische overgevoeligheid) en major depressie. Het zijn de mensen die overgevoelig reageren op verschillende voedingssupplementen zonder dat daar direct een logica is in te ontdekken. Echter die logica is er wel, maar te omvangrijk om in dit artikel te bespreken. Hiervoor verwijs ik naar de opleiding ‘het endocannabinoïde systeem‘.

Verzuring en een hoge base zijn sterke TRPV1-activators (ref). Te hoge doseringen bètacaroteen, vitamine A en vitamine B3 (nicotinezuur) werken eveneens als een TRPV1-agonist (ref-1 – ref-2). Andere TRPV1-agonisten en activators zijn koffie, alcohol,  EMF (bv. GSM-straling),  nicotine, luchtvervuiling, geuren, de rook van verhitte vetten (bv. gebakken vlees) en een uitgebreide lijst chemische stoffen (ref-1 – ref-2).

Mensen met TRPV1-overgevoeligheid reageren averechts op methylfenidaat en dextro-amfetamine. Deze middelen veroorzaken bij hun een malaisegevoel, stress en antibeloning. De reden is dat bij het activeren van de receptoren bij TRPV1-overgevoeligheid, er grote concentraties glutamaat vrijkomen. TRPV1-overgevoeligheid is een belangrijke oorzaak van chronische ontstekingen (ref). TRPV1-gerelateerde-inflammatie speelt een rol bij het ontstaan van depressie, borderline, OCS, angst- en slaapstoornissen  (ref-1 – ref-2 – ref-3).

TRPV1-overgevoeligheid komt vaker voor bij mensen met GABA-resistentie, slaap- en stressproblemen en hyper-glutamaat. Vaak reageren ze overgevoelig op cafeïne en alcohol en op middelen die het endorfinesysteem beïnvloeden zoals LDN (low dose naltrexone) en apigenine. Andere stofjes die TRPV1-overgevoeligheid kunnen aanwakkeren zijn piperine – een stof die gebruikt wordt om de opname van voedingssupplementen te verhogen, exorfinen (opiaten uit gluten, zuivel en soja), vanille, mosterd, gember, wasabi en capsaïcine, een stof dat in hete pepers zit (ref-1 – ref-2 – ref-3 – ref-4 – ref-5).

CB2-agonisten verminderen TRPV1-overgevoeligheid (ref), bijvoorbeeld caryofylleen, een selectieve CB2-agonist van het endocannabinoïde systeem (ref).

Glutamaat en antibeloning

Het leven bestaat uit dualiteit. Er is licht en donker, warm en koud, liefde en liefdeloosheid. Deze dualiteit zien we ook terug in het lichaam, in de vorm van homeostase en allostase. Het komt erop neer dat het lichaam steeds tracht een evenwicht te hervinden, wat er ook gebeurt. Vaak gaat dat ten koste van andere functies. Bijvoorbeeld als het lichaam teveel energie moet besteden aan het immuunsysteem, dan worden sommige organen en weefsels insulineresistent, om energie te besparen. Hetzelfde gebeurt met het beloningsysteem.

De dualiteit van beloning is dat het wordt gevolgd door antibeloning, dit laatste is een manier om het evenwicht te herstellen. Dopamine mag dan wel een prettig gevoel geven, het is tevens een stofje dat ontzettend neurotoxisch is (ref), vergelijkbaar met cortisol en glutamaat (ref-1ref-2). Vaak zien we dan ook dat mensen met neurodegeneratieve aandoeningen in hun ‘jonge’ jaren dopamine-jagers waren.

Telkens er dopamine wordt geactiveerd, komt er nadien glutamaat vrij. Glutamaat is het antibeloningsstofje dat dopamine afremt. Dopamine is de gaspedaal en glutamaat is de rempedaal van het beloningssysteem. Het remmen van dopamine is nodig omdat we anders psychotisch zouden worden. Teveel dopamine maakt ons overmoedig, roekeloos en onrealistisch, kenmerken die we zien bij verliefdheid, psychose en bij mensen met een bipolaire stoornis die een hypomane episode doormaken.

Glutamaat en GABA, het stofje dat glutamaat afremt, hebben een bijzondere rol in het dopamine-beloningssysteem. Zolang GABA goed werkt, heeft het lichaam glutamaat onder controle. Bij hyper-glutamaat werkt de dopamine-jukebox niet meer zo goed omdat er meer antibeloning is dan beloning. Dan zijn er heftigere prikkels nodig om de dopamine-kassa te doen rinkelen. Dat is net wat ze zien bij mensen met ADHD, verslavingen en eetstoornissen. Ze zijn constant op zoek naar meer en sterkere prikkels. Zonder dat zijn ze snel ‘verveeld’. Ouders met ADHD-kinderen herkennen dit patroon, maar eigenlijk is het een maatschappelijk probleem.

Niet alleen mensen met ADHD hebben een ‘dopamine-probleem’. Los van het individuele aspect, zou je kunnen stellen dat onze maatschappij zelf last heeft van ADHD-kenmerken. De beurscrash in 2008 werd veroorzaakt door dopamine verslaafde financiers op Wall Street, die na de beurscrash hun rebound compenseerden met seks (ref). De hebzucht van de mens is zo immens groot dat het deze planeet in minder dan 100 jaar op het randje van de afrond heeft gebracht. Blijkbaar niet omdat de maatschappij zichzelf heeft gereguleerd… Hoezo geen gedragsproblemen bij multinationals? Hoezo geen corruptie bij de overheid? En hoe goedgelovig moet men zijn als farmaceutische bedrijven die wegens misinformatie 26 miljard dollar aan schadeclaims moeten betalen plots ‘eerlijk’ gaan communiceren over COVID-19 vaccins (ref)?

Hyper-glutamaat en GABA-problemen zijn de meeste voorkomende oorzaken dat dopamine niet goed werkt, ook bij kinderen met ADHD (ref). Het ontstaat als het beloningssysteem teveel wordt gestimuleerd, bijvoorbeeld door suiker, exorfinen (opiaten uit gluten, zuivel en soja) en allerlei troep in bewerkte voeding zoals smaakversterkers. Een andere belangrijke oorzaak is ontregeling van het endocannabinoïde systeem. Maar het kan net zo goed ontstaan door drugs, geneesmiddelen zoals opioïde pijnstillers, paracetamol en psychostimulantia.

Uit onderzoek blijkt dat kinderen die langere tijd psychostimulantia gebruiken op volwassen leeftijd een chronisch hyper-glutamaat probleem ontwikkelen door GABA-resistentie (ref). De contradictie is dat kinderen die psychostimulantia gebruiken om beter te studeren, later als ze een job zoeken uit de boot vallen omdat hun belonings- en stresssysteem is gecompromitteerd.

Traumatische ervaringen en emotionele verwaarlozing tijdens de kindertijd verminderen de werking van het GAD-enzym, dat glutamaat moet omzetten in GABA (ref-1ref-2). Trauma’s zijn een belangrijke oorzaak waarom mensen chronische hyper-glutamaat ontwikkelen, ook bij kinderen met ADHD (ref-1ref-2).  Deze epigenetische switch kan ook transgenerationeel worden doorgegeven door ouders die een trauma hebben meegemaakt (ref-1ref-2).

In 2017 verscheen een onderzoek waarom negatieve ervaringen in het vroege leven zo’n vergaande impact hebben (ref). Men ontdekte dat bij jonge muizen die vlak na de geboorte geen moederzorg kregen, het OTX2-gen niet meer zo goed werkt. Dit gen stimuleert de aanmaak van transcriptiefactoren van honderden genen,  die onder meer te maken hebben met stressverwerking, beloning en depressie. Het OTX2-gen is actief in het ventrale tegmentum en maakt onderdeel uit van het beloningssysteem. Een verminderde OTX2-genexpressie veroorzaakt problemen met de cognitie, stressverwerking, gebrek aan motivatie en moeite met het ervaren van emoties en depressieve gevoelens, kenmerken die we ook terugzien bij ADHD.

Meer over de GABA/glutamaat interactie kan je nalezen in het artikel Gids voor het afbouwen van benzodiazepines‘ en het boek ‘De epigenetica van ADHD en glutamaat‘.

Afbouwen van psychostimulantia

Methylfenidaat en dextro-amfetamine zijn middelen die in tegenstelling tot andere psychofarmaca vrij snel kunnen afgebouwd worden. Voor methylfenidaat geldt een afbouwperiode van een week, voor dextro-amfetamine bedraagt dit twee weken, al naargelang de dosering en de gebruiksperiode. Ondanks de relatief snelle afbouwperiode kunnen er na het stoppen ernstige gemoedswisselingen ontstaan. Bij hoge doseringen en misbruik kan dit zelfs leiden tot suïcidale neigingen (ref).

De ontwenningsverschijnselen kunnen een week tot drie maanden aanslepen al naargelang de dosering en de gebruiksperiode. De symptomen zijn somberheid en andere depressiesymptomen, overgevoeligheid voor stress en prikkels, geïrriteerdheid, negatieve gedachten, angsten, paniekaanvallen, verlies van initiatief, plezier en interesse, vermoeidheid en slaapproblemen (ref). De ontwenningsverschijnselen zijn te wijten aan hyper-glutamaat, uitputting van dopamine, endorfine, GABA, serotonine (bij dextro-amfetamine), BDNF en andere epigenetische ontregelingen. Volgens onderzoek zijn er geen geneesmiddelen die de ontwenningsverschijnselen kunnen verhelpen (ref). Bij sommige mensen kan stoppen met methylfenidaat en dextro-amfetamine klachten veroorzaken die we ook zien bij TRPV1-overgevoeligheid.

De weg naar herstel

De weg naar herstel begint na het stoppen met psychostimulantia. Men stopt met een middel dat de initiële toestand heeft verergerd. Psychiater Jason Yanofski noemt dit fenomeen ‘paradoxale decompensatie’ (ref-1ref-2). Sommige cliënten/patiënten hebben de verwachting dat stoppen met psychostimulantia weinig neveneffecten heeft. In de praktijk zien we dat deze middelen een verregaande impact hebben op het ontregelen van diverse epigenetisch routes. De zorgverlener heeft vanuit deze context een dubbele taak: de schade herstellen die deze middelen hebben aangericht en de oorzaak aanpakken ofwel de reden waarom men psychostimulantia is beginnen nemen. Zorgverleners die deze dynamiek helder communiceren, helpen hun cliënten/patiënten door een duidelijk beeld te schetsen.

Levensstijladvies 

De werking van het dopamine-beloningssysteem verbeteren omvat drie routes. Men dient de drie routes tegelijk aan te pakken:

  1. het verminderen van de factoren die het dopamine-beloningssysteem uitputten,
  2. het verminderen van glutamaat, zowel door overmatige beloning en stress
  3. het verbeteren van de dopamine-aansturing, met in het bijzonder insuline, endorfine en het endocannabinoïde systeem.

Het aanpassen van de voeding begint met het mijden of in elk geval sterk verminderen van voeding die het endocannabinoïde systeem (ECS) ontregelt. Het ECS reguleert verschillende aspecten met betrekking tot het dopamine-beloningssysteem: dopamine, insuline, GABA en glutamaat. De twee receptoren van het ECS – CB1 en CB2 – houden elkaar in evenwicht (ref). Chronische overstimulatie van de CB1-receptoren veroorzaakt uitputting van dopamine, leptine-resistentie, laaggradige ontstekingen, chronische trek, overgewicht, insulineresistentie en andere metabole klachten en aandoeningen (ref-1ref-2ref-3ref-4ref-5). Bij CB1 overstimulatie neemt de werking van de CB2-receptoren af, die net een tegenovergesteld en herstellend hebben. CB2 herstelt metabole aandoeningen, bovendien normaliseert CB2 de dopamine behoefte.

Duale werking van de CB1- en CB2-receptoren van het endocannabinoïde systeem

CB1 overstimulatie ontstaat door een vetrijk dieet, plantaardige oliën met teveel linolzuur en dierlijke producten met veel arachidonzuur, alcohol en cannabis (ref-1ref-2). Toegelaten oliën zijn olijfolie, kokosolie en avocado-olie. Noten en zaden zijn olie-bommen: toegelaten noten zijn walnoten, chiazaad en perillanoot.

Dierlijke producten bevatten arachidonzuur, myoglobine en andere ongewenste fragmenten uit vetten en eiwitten die ontstekingsbevorderend zijn. Niet alleen rood vlees, maar ook kip en eieren zijn superhelden in het bevorderen van chronische ontsteking, een toestand die het ECS ontregelt en ons letterlijk uitput (ref-1ref-2ref-3). Alle energie die gaat naar het immuunsysteem komt men tekort om andere organen en weefsels aan te sturen. Hoe vreemd het ook mag klinken, het zijn net deze dierlijke stofjes die de werking van insuline boycotten (ref-1 – ref-2 – ref-3– vaak méér dan glucose – zeker als men dierlijke producten gaat combineren met koolhydraten. Wie veganistisch eet, verlaagt de kans op diabetes met 35% tot 50% (ref-1 – ref-2), althans als het gezonde planten zijn, met planten zoals tarwe ga je weinig winst behalen. Eet dierlijke producten met mate. Probeer eens een week geen dierlijke producten. Wie weet bevalt het zo, dat je steeds vaker veganistisch gaat eten. Van een vegan eetpatroon wordt je rustig, stressbestendiger en krijg je meer focus.

Vlees bevat myoglobine, een eiwit dat dysbiose, verhoogde darmpermeabiliteit en laaggradige ontstekingen veroorzaakt via de toename van interleukine-1 bèta (IL-1β) (ref), een cytokine die GABA-resistentie veroorzaakt in de hippocampus  (ref).

Een tweede voedingsadvies is het mijden of verminderen van voeding die het endorfinesysteem uitput. De reden is dat het endorfinesysteem en het ECS met elkaar verbonden zijn als twee handen op één buik (ref-1ref-2ref-3ref-4). Gaat het met het ene systeem mis dan ook met het andere. Te mijden voeding zijn exorfinen, dit zijn gluten (tarwe, spelt, kamut, rogge en gerst), zuivel en soja, met uitzondering van yoghurt dat geen exorfinen bevat omdat het gefermenteerd is. Gistbrood kan je vervangen door zuurdesembrood dat minstens 24 uur is gefermenteerd door de bacteriën in de zuurdesem. Dit brood – als het goed bewerkt is – bevat minder dan 8 ppm gluten (ref). Verder is alle niet-natuurlijke voeding te mijden, dus alles wat is bewerkt en waar de lijst met ingrediënten niet is terug te vinden in de natuur. Niet alleen smaakversterkers maar de ganse zooi die de voedingsindustrie toevoegt om hun producten langer te doen bewaren en beter te doen smaken of wat dan ook. Mijdt zoveel mogelijk voeding die insulinepieken veroorzaken, de zogenaamde hoog-glycemische voedingsmiddelen als suiker, bier, zetmeel en glutenvrij brood dat vaak teveel zetmeel, mais en andere melen bevat die insuline de hoogte in jagen.

Het derde voedingsadvies is, wees matig met alcohol en eet met mate. Zodra je de glucose-pieken en dalen onder controle krijgt, stabiliseert glutamaat, heb je minder onrust en ben je stressbestendiger. Het ECS en BDNF – ons natuurlijk antidepressie-stofje – gaan optimaal werken zodra je minder calorieën aanvoert. Je hoeft daarom geen crashdieet te doen, maar minder eten helpt écht, een advies dat niet geldt voor anorexia patiënten! Hetzelfde geldt voor bewegen.

Beweging stimuleert het ECS en BDNF, ons natuurlijk antidepressie-stofje. Gewoon rustig wandelen, fietsen of zwemmen is prima. Duursport put het ECS uit, waarom zou je hard rennen? Het lichaam heeft al stress genoeg en je wil geen versleten knieën als je op pensioen gaat.

Voedingssupplementen: afbouwen en stoppen met psychostimulantia

Caryofylleen

De meeste mensen met dopamine-problemen en ADHD/ADD hebben kenmerken die overeenkomen met een ontregeld endocannabinoïde systeem (ECS) (ref-1 – ref-2ref-3). Er is overactivatie van de CB1-receptoren, bv. door een linolzuurrijk dieet, junkfood, ontstekingen, dierlijke producten, suiker, vet en hoog-glycemische voedingsmiddelen. CB1-overstimulatie vermindert de expressie van de CB2-receptoren (ref). Bij een verminderde CB2-werking ontstaan dopaminerge klachten, gemoedswisselingen, onrust, stressovergevoeligheid en een verminderde GABA-werking (ref-1ref-2).

De CB2-receptoren hebben verschillende functies, ze versterken de werking (gevoeligheid) van GABA bij GABA-resistentie (ref), een toestand die ontstaat door het gebruik en afbouwen van psychostimulantia. Tegelijk normaliseren ze de dopaminerge activiteit en behoefte (ref-1ref-2).

Caryofylleen is een selectieve CB2-agonist, een stof die de CB2-receptoren van ECS activeert (ref). De werking van caryofylleen op de CB2-receptoren is sterker dan THC en CBD uit cannabis (ref-1 – ref-2). In tegenstelling tot extracten uit cannabis, heeft caryofylleen geen effect op de CB1-receptoren. Caryofylleen herstelt de GABA-gevoeligheid en normaliseert de dopaminerge werking, terwijl het tegelijk BDNF verhoogt, een neurotrofe factor die de schade door dopamine en glutamaat herstelt (ref-1 – ref-2). BDNF verhoogt de expressie van verschillende dopamine-receptoren (ref-1ref-2ref-3).

De CB2-receptoren corrigeren insulineresistentie veroorzaakt door CB1 overstimulatie en verbeteren de glucose tolerantie, dit is de mate waarin het lichaam glucose uit bloed kan verwerken. Uit onderzoek blijkt dat caryofylleen de insulinegevoeligheid verbetert en werkzaam is voor de behandeling van diabetes type 2 (ref-1ref-2ref-3ref-4ref-5). Een goede werking van de CB2-receptoren zorgt voor een stabiele bloedsuiker en vermindert de kans op hypoglycemie, een toestand waardoor tijdelijke maar acute GABA-resistentie ontstaat.

CB1 is de verslavingsreceptor die dopamine activeert (ref). Overactivatie van de CB1-receptoren – bv. door stress, trauma’s, cannabis, linolzuur, ontsteking, dierlijke producten, alcohol, antidepressiva, opioïde pijnstillers, paracetamol en een hoogcalorisch dieet – veroorzaakt een verminderde CB2-werking. Als de CB2-activiteit afneemt, ontstaat craving (toegenomen behoefte). Bij het afbouwen en stoppen met psychofarmaca, drugs, gedragsverslavingen en eetstoornissen ontstaat tijdelijk stress. Deze stress zorgt andermaal voor CB1 overactivatie en CB2-demping waardoor men in een vicieuze cirkel terechtkomt.

CB2 is de anti-verslavingsreceptor: het remt de constante dopaminebehoefte bij verslavingen, eetstoornissen en de afbouw van dopaminerge medicatie (psychostimulantia) en drugs (amfetamine en cocaïne) (ref-1ref-2). De CB2-receptoren spelen een cruciale rol bij aandoeningen zoals autisme, alcoholisme, verslavingen, eetstoornissen, depressie en schizofrenie. Om verslaving te doorbreken moet men de CB1-activiteit verminderen en de CB2-activiteit verhogen.

Caryofylleen mag gecombineerd worden met psychostimulantia. De aanbevolen dosering van caryofylleen bij het afbouwen en stoppen van psychostimulantia schommelt tussen de 30 en 90 mg per dosering, 2 à 3 maal per dag. Caryofylleen wordt door het Amerikaanse FDA ingedeeld als GRAS (Generally Recognized as Safe) (ref-1, ref-2). Bij humaan onderzoek blijkt dat caryofylleen geen bijwerkingen heeft in een dagelijkse dosering tot 300 mg (ref-1 – ref-2). Verdere informatie kan men nalezen in de caryofylleen monografie.

Synergie: de werking van caryofylleen (CB2-agonist) wordt versterkt door DHA doordat beide stoffen elkaars werking op de CB2-receptoren versterken (ref-1ref-2ref-3). De gevoeligheid van de CB2-receptoren wordt tevens verhoogd door PEA (ref-1 – ref-2).

Kaempferol

Kaempferol is een FAAH-remmer, het vertraagt de werking van FAAH – het enzym dat anandamide afbreekt – wat via diverse routes resulteert in een toename en herstel van anandamide, 2-AG en PEA (ref-1 – ref-2).  Anandamide zorgt voor een toename van GABA en BDNF in de hippocampus (ref).  Tegelijk heeft BNDF een stimulerend effect op de aanmaak en de werking van GABA, anandamide en 2-AG (ref).  Anandamide, BDNF en GABA zijn de sterkste glutamaatremmers.

Gelukkig zijn: anandamide is een neurofysiologische regulator in de beleving van gelukkig zijn, verbinding, mededogen, onbaatzuchtigheid en spiritualiteit. Een trage FAAH-werking verhoogt anandamide, waardoor men zich gelukkiger voelt. Kaempferol is de flavonoïde met de sterkste FAAH-enzym-remwerking (ref). Onderzoek laat zien dat de landen waar de mensen het gelukkigst zijn niet de rijkste landen zijn, maar de landen waar de bevolking de traagste FAAH-enzymwerking heeft – waardoor anandamide toeneemt. Deze trage FAAH-werking is een gevolg van een genmutatie (SNP) die meer voorkomt bij de oorspronkelijke bevolking van de Zuiderse landen. Volgens onderzoek heeft de bevolking in Mexico, Nigeria en Colombia drie- tot zesmaal meer anandamide dan in Rusland, China en de Oost-Europese landen. In de Verenigde Staten zijn het vooral de Amerikanen van Afrikaanse en Zuid-Amerikaanse oorsprong die een trage FAAH-enzym werking hebben, de blanke inwoners schommelen onderaan, met op de bodem Rusland en de Oost-Europese landen.

Kaempferol is een ‘prodrug’, een stof die door bacteriën in de darmen wordt omgezet in actieve stoffen. Kaempferol wordt door bacteriën omgezet in GABA en via de nervus vagus in het maag-darmstelsel getransporteerd naar de hersenen. Onderzoek bij dieren wijst uit dat een dosering vanaf 0,02 mg tot 1 mg per kg lichaamsgewicht een rustgevend effect heeft, dit komt overeen met 1,5 tot 70 mg bij een persoon van 70 kg (ref).

Traumaherstel: traumatische ervaringen en emotionele verwaarlozing tijdens de kindertijd verminderen de werking van het GAD-enzym, dat glutamaat moet omzetten in GABA. Te hoge glutamaat-waarden veroorzaken problemen met het loslaten van negatieve ervaringen. Uit onderzoek blijkt dat kaempferol een herstellend effect heeft op het GAD65-gen dat de aanmaak van het GAD-enzym reguleert. Overgewicht en vetrijke diëten verminderen de werking van het GAD-enzym (ref).

Glutamaat heeft de eigenschap het traumageheugen, dit is de angst en de stress die geassocieerd zijn aan een trauma in stand te houden en te versterken. Deze toestand noemt men vreesconditionering, waarbij allerlei onbewuste pikkels en associaties de herinnering aan trauma’s kunnen opwekken. FAAH-remmers verminderen de vreesconditionering en stressreactie bij mensen met PTSS en angststoornissen (ref), deels via de stimulatie van het endocannabinoïde systeem (anandamide en 2-AG) en deels via de toename van BDNF, een stofje met een GABA en dopamine stimulerend effect (ref-1 – ref-2 – ref-3).

Kaempferol mag in tegenstelling tot caryofylleen niet gecombineerd worden met psychostimulantia. Men neemt deze stof het best 24 uur na het stoppen met methylfenidaat en dextro-amfetamine. De aanbevolen dosering voor kaempferol is 100 mg tot 400 mg per dag. Verdere informatie kan men nalezen in de kaempferol monografie.

Voedingssupplementen: slaapproblemen

Glycine en magnesium

Glutamaat put glycine uit. Glycine is een inslaapmiddel indien het voldoende hoog is gedoseerd. Glycine reguleert het bioritme op dezelfde manier dan melatonine, maar heeft een sterke werking in het remmen van glutamaat. Het is belangrijk om elke dag de glycinevoorraad aan te vullen omdat glutamaat de voorraad uitput. Op deze manier wordt er ook meer glutathion aangemaakt. Glycine kan men best combineren met een goed opneembare magnesium zoals magnesiumbisglycinaat. Magnesium versterkt de werking van endorfine (ref), een hormoon dat de aanmaak van melatonine stimuleert (ref). Zo programmeert men de hersenen om autonoom melatonine aan te maken.

De aanbevolen dosering van glycine bij inslaapproblemen is 2 à 3 gram. Neem het liefst een half uur voor het slapen gaan. Verder informatie over glycine kan men nalezen in de monografie.

Hericium erinaceus (pruikzwam)

Pruikzwam heeft een gunstig effect bij doorslaapproblemen (ref). Mensen die ’s nachts wakker worden, hebben vaak een glucosedip, waardoor glutamaat piekt en het slaapproces wordt onderbroken. Pruikzwam heeft vooral in de hersenen een gunstig effect op de stabilisatie van de glucosehuishouding en insulineresistentie. Hierdoor vermindert de kans op nachtelijk ontwaken als gevolg van een tijdelijke glutamaatpiek.

De aanbevolen dosering van pruikzwam is ongeveer 1 gram bij een extractie van 50% polysaccharides, wat neerkomt op 500 mg polysaccharides uit pruikzwam. Inname een half uur voor het slapen gaan. Verder informatie over pruikzwam kan men nalezen in de monografie.

BrainQ checklist

De BrainQ checklist bestaat uit vragen die de resistentie van verschillende neurotransmitters en hormonen in kaart brengen, de symptomen van hyper-glutamaat en een traumavragenlijst. De checklist omvat 140 vragen en neemt ongeveer 10 à 15 minuten in beslag. Na het invullen van de BrainQ checklist ontvangt men de resultaten per mail.

  • endorfine;
  • dopamine;
  • oxytocine;
  • histamine;
  • insuline;
  • psychische kenmerken van glutamaatdominantie;
  • lichamelijke kenmerken van glutamaatdominantie;
  • traumavragenlijst voor kinderen en volwassenen.

Checklist volwassenenInvullen (Vanaf 18 jaar)

Checklist kinderenInvullen (Van 0 tot 18 jaar)

Aanbevolen literatuur

In het boek ‘De epigenetica van ADHD en glutamaat‘ beschrijft Lucas Flamend de glutamaatproblematiek. Het boek gaat niet alleen over ADHD, maar over de belangrijkste oorzaken, dynamiek en aandoeningen die met glutamaat verband houden. Te koop bij boekhandel Merlijn.

Aanbevolen opleidingen

Opleiding ‘het endocannabinoïde systeem

Opleiding ‘ADHD-therapeut

Disclaimer en copyright

Deze informatie is bedoeld als informatiebron en als naslagwerk. Het is met de grootste zorgvuldigheid en naar beste vermogen en inzicht samengesteld. De informatie is bedoeld voor beroepsbeoefenaren zoals artsen, apothekers, herboristen, psychologen en therapeuten, die vanwege hun opleiding en ervaring de inhoud en toepassing kunnen evalueren. De informatie is niet bestemd voor leken of consumenten die zelf een behandeling willen uitstippelen. Het is geenszins bedoeld als vervanging voor het consulteren van een arts of therapeut. Indien u momenteel geneesmiddelen neemt, raadpleeg dan eerst een arts indien u met deze middelen wil stoppen. Stop de inname niet of vervang deze geneesmiddelen niet op basis van informatie of aanbevelingen uit deze website. BrainQ kan niet aansprakelijk worden gesteld voor eventuele schade die zou voortvloeien uit beslissingen gebaseerd op informatie uit deze website.

De informatie mag niet gekopieerd, gepubliceerd of via een andere vorm doorgegeven worden aan derden zonder de schriftelijke toestemming van BrainQ.