Methylatie

Methylatie is een epigenetisch proces waarbij een methylgroep wordt gedoneerd aan of verwijderd van een substraat. De methylgroep bestaat uit een één koolstof- en drie waterstofatomen (CH3). De substraten zijn meestal – maar zijn niet beperkt tot – DNA, RNA, eiwitten, neurotransmitters, hormonen, immuuncellen en zenuwcellen.

Afbeelding van DNA dat wordt gemethyleerd. De twee witte bolletjes zijn methylgroepen.

Methylatie heeft als functie het aan- en uitzetten van genen. Hypomethylatie (verminderde methylatie) heeft verminderde genexpressie tot gevolg en speelt een belangrijke rol bij het ontstaan van allerlei klachten en aandoeningen zoals kanker, atherosclerose, diabetes, detox-problemen, MCS, CVS, fibromyalgie, veroudering, psychische aandoeningen, problemen met histamine en immuunaandoeningen. De verminderde methylatie heeft verschillende oorzaken zoals erfelijke variaties (defecten) in het DNA (SNP’s,) en psychische en biologische omgevingsfactoren zoals stress, voeding en traumatische ouder-kind interacties.

Methylatie is een proces dat continu actief is in alle cellen. Het heeft effect op duizenden processen in het lichaam, onder meer:

  • Ontgifting: eliminatie van toxines, chemische stoffen en afscheidingsstoffen (biotransformatie)
  • Opbouwen van neurotransmitters (bv. dopamine, serotonine, adrenaline)
  • Opbouwen van hormonen (bv. oestrogeen)
  • Vormen van immuuncellen (bv. T-cellen en NK-cellen)
  • Synthese van DNA en RNA
  • Produceren van energie (ATP, CoQ10, carnitine)
  • Vormen van een beschermde coating op zenuwcellen (myelinisatie)
  • Aanmaak van antioxidanten
  • Herstel van de cellen en neuronen
  • Verminderen van homocysteïne

Regulatie van methylatie

Het methylatieproces wordt gereguleerd door enzymen met als eindproduct een substraat. De werking van deze enzymen wordt gereguleerd door verschillende genen. Het vermogen om te methyleren neemt af met het ouder worden en onder invloed van bepaalde omgevingsfactoren.

  • De meeste enzymen hebben een cofactor nodig om geactiveerd te worden, dit kan een mineraal of een vitamine zijn, maar ook waterstof. De meeste enzymen die betrokken zijn bij celherstel, regeneratie, anti-aging, energie en antikanker wordt geactiveerd door waterstof! Planten die waterstof activeren in het lichaam behoren tot de meeste geneeskrachtige planten, dit zijn onder meer Kurkuma en de planten die melanine bevatten zoals Chaga en Judasoor. Melanine zet water om in waterstof (H2) en zuurstof (O) en is 34 keer krachtiger dan EDTA om zware metalen te verwijderen uit het lichaam ref.
  • Cofactoren zijn nodig om de methylatie in gang te zetten maar ook om de methylatie stop te zetten.
  • Indien er teveel substraten worden aangemaakt, wordt de methylatie stop gezet: feedback mechanisme

Methyldonoren

Methyldonoren zijn stoffen die een methylgroep kunnen afstaan aan het DNA of een substraat. De methylatie wordt gestimuleerd door methyldonoren en cofactoren die de enzymatische processen verbeteren. Dit zijn onder meer de vitamines B, C, H (biotine), zink, magnesium, PABA, cysteïne, foliumzuur (5-MTHF), glycine, betaïne (TMG), choline en inositol.

S-adenosylmethionine (SAMe) is een methyldonor, doch naargelang de kwaliteit (prijs) van de grondstof te oxidatief om in voedingssupplementen gebruikt te worden omdat het reeds na een aantal dagen met zuurstof oxideert en onstabiel wordt. Werkzame SAMe is zeer duur en heeft bijwerkingen vanwege het serotoninesyndroom ref. In een aantal Europese landen zoals Italië, Spanje en Duitsland is SAMe alleen op doktersvoorschrift verkrijgbaar. SAMe mag niet gecombineerd worden met antidepressiva, dextromethorfan, antipsychotica, psychostimulantia, opiaat pijnmedicatie, sint-janskruid, 5-HTP, tryptofaan en andere serotonine verhogende middelen ref. Vermoedelijk hebben de meeste producten met SAMe geen bijwerkingen omdat de grondstof niet meer actief is of de dosering te laag is om biologisch actief te kunnen zijn.

Apigenine en DNA

Methylatie heeft invloed op het transcriptieproces. Transcriptie is het kopiëren van de genetische code op het DNA naar streng m-RNA,. Vervolgens wordt deze informatie vertaald naar de vorming van een eiwit. Tijdens het transcriptieproces kunnen er fouten optreden; waardoor SNP’s ontstaan.

Apigenine – dat de gevoeligheid van het endorfinesysteem verhoogt – heeft een gunstig effect op het blokkeren van verschillende transcriptiefactoren die te maken hebben met kanker en verouderingsprocessen refref2. Tevens stimuleert het de POMC-genexpressie, een gen dat de aanmaak codeert van endorfine, insuline, glucagon, melatonine en andere stoffen. Laag gedoseerde apigenine (< 2,5 mg) functioneert als een bimodale switcher; het vermindert glutamaat door de werking van de endorfine-receptoren te optimaliseren, GABA te verhogen en de NMDA-receptoren te blokkeren ref.

Hypermethylatie van het POMC-gen, veroorzaakt door de wisselwerking door een POMC-SNP en aluminium belasting (bv. vaccins) – wordt in verband gebracht met overgewicht bij kinderen ref.

Oorzaken van hypomethylatie van het POMC-gen zijn onder meer: posttraumatische stress tijdens de kinderjaren ref, alcohol ref, exorfinen, overgewicht, troostvoeding ref en traumatische ervaringen ref.

Apigenine heeft tevens een gunstige invloed op de methylering van het OPRM1-gen refref2. Dit gen codeert de aanmaak van de endorfine-receptoren. Door allerlei omgevingsfactoren zoals troostvoeding, exorfinen, belastende stress, trauma’s en verslavingen vermindert de expressie van het POMC-gen (verminderde methylatie), waardoor endorfineresistentie ontstaat. Dit heeft tot gevolg dat de werking van de dopamine, GABA, de stressweerstand en de immuniteit ontregeld raakt.

Factoren die de methylatie verstoren en/of verminderen

  • Tekort aan cofactoren en methylgroepen
  • Medicatie (bv. psychofarmaca)
  • Toxines, chemische stoffen, zware metalen, kwik (bv. vaccins), arsenicum, acetaldehyde (bv. alcohol, candida)
  • Bij aanmaak van teveel substraten (feedback mechanisme)
  • Genetische mutaties en variaties (SNP’s)
  • Stress, trauma’s, tekort aan ouderlijke liefde
  • Veroudering
  • Troostvoeding en exorfinen

Markers voor methylatie

Effectieve markers voor hypomethylatie via bloedonderzoeken zijn histamine en basofielen in het bloed. Bij verhoogde waarden van een of beide markers is er vaak sprake van hypomethylatie. Deze markers zijn niet de oorzaak van hypomethylatie, wel komen ze vaak samen voor.

Aandoeningen met een verminderde methylatie

Door chemische invloeden, geneesmiddelen en anders ongunstige omgevingsfactoren zoals stress, slaaptekort, alcohol, candida en middelenverslavingen, neemt de methylatie af door een toegenomen ‘verbruik’ van methylgroepen, waardoor er tekorten ontstaan voor de initiële methylatie-functies.. Volgens dr. William J. Walsh, president van het Walsh instituut en autoriteit op het gebied van de methylatie problematiek, bleek na analyse bij meer dan 30.000 patiënten dat 22% onder-gemethyleerd zijn en 8% over-gemethyleerd ref. Bij autisme kan dit oplopen tot 95% en bij ADHD/ADD tot 55 à 75%.

Genetische screening bij 30.000 personen: 22% hypomethylatie, 8% hypermethylatie en 70% normale methylatie ref.

Verschillende aandoeningen en toestanden hebben een verminderde methylatie als onderliggende (bij) oorzaak of gevolg:

  • ADHD, ADD, autisme
  • Langdurig belastende stress
  • Trauma’s, PTSS
  • Kanker: verminderde methylatie van kankerbeschermende genen en verhoogde methylatie van kanker veroorzakende genen
  • Diabetes
  • Atherosclerose, embolie en hartaandoeningen
  • Alzheimer, dementie, Parkinson
  • Immuun-aandoeningen
  • Multiple sclerose
  • MCS (meervoudige chemische overgevoeligheid): overgevoeligheid voor voedingssupplementen, geneesmiddelen, bepaalde geuren en gassen (bv. fossielbrandstoffen)
  • CVS, fibromyalgie
  • Depressie
  • OCD
  • Eetstoornissen: boulimie, anorexia
  • Middelen- en gedragsverslavingen
  • Waanbeelden
  • Alcoholisme
  • Slaapproblemen
  • Chronische virale ontstekingen
  • Laag inflammatoire aandoeningen
  • Angst, onrust, mentale problemen
  • Ouderlijke verwaarlozing, tekort aan ouderlijke aandacht
  • Psychose, schizofrenie, bipolaire stoornis
  • Schildklierproblemen
  • Allergieën
  • Verhoogde histamine
  • Verhoogde cobalamine (bv. vit. B12)
  • Onvruchtbaarheid
  • Neuropathie, chronische pijn

 

Autisme 98%
Antisociale stoornis 95%
Schizoaffectieve stoornis 90%
Oppositioneelopstandige gedragsstoornis 85%
Anorexia 82%
Depressie 38%

 

 

Schema: het aandeel van hypomethylatie bij verschillende psychische aandoeningen ref

ADHD en methylatie

Ongeveer 55 à 75% van de mensen met ADHD zijn onder-gemethyleerd, tegenover 20% met hypermethylatie. De verschillen uit zich onder meer door de toename van histamine (hypomethylatie) of het tekort aan histamine (hypermethylatie). Histamine heeft de eigenschap om de werking van glutamaat te versterken, wat op zijn beurt dopamine verlaagt. Bij hypermethylatie is er net een teveel aan dopamine, met risicogedrag tot gevolg. Er zijn meerdere genen met SNP’s:

  • POMC: aanmaak endorfine
  • OPRM1: aanmaak endorfine-receptoren, reguleert de gevoeligheid van endorfine, bij verminderde methylatie treedt endorfineresistentie op. Het A118G is een gekende SNP bij ADHD en andere aandoeningen
  • DAT1: zorgt voor een verlengde werking van dopamine (een gelijkaardige werking als ‘Ritalin’)
  • GAD: zet glutamaat om in GABA
  • MTHFR: omzetting van (niet actief) foliumzuur naar actief foliumzuur (5-MTHF)
  • IGF2: hypomethylatie verhoogt de kans op antisociale stoornissen ref
  • FKBP5: hypomethylatie uit zich in afkeer/aversie voor ouderlijke aandacht ref

Er zijn meerdere oorzaken van de methylatie-problemen bij ADHD; toxische factoren ref, prenataal gebruik van paracetamol ref, troostvoeding (bv. exorfinen), prenatale factoren zoals stress, overgewicht en psychiatrische aandoeningen bij de moeder én vader, tekort aan ouderlijke aandacht, trauma’s etc…

Genetische screening

Er zijn verschillende genen betrokken bij de verminderde methylatie. Check eerst MTHFR, dit gen reguleert de omzetting van foliumzuur naar actief foliumzuur, wat voor een verlaging van de homocysteïne-spiegel zorgt. Ongeveer 45% van de bevolking heeft een of meerdere MTHFR-SNP’s die wijzen op een verminderde methylatie van met MTHFR-gen. Desondanks heeft minder dan 7% van de bevolking een verhoogde homocysteïne-spiegel. Zoals meestal het geval is, heeft het lichaam meerdere compensatieroutes, in dit geval om homocysteïne te verlagen.

Sommige virussen (en vaccins met deze virussen) hebben een verminderde gen-werking tot gevolg. Voorbeelden zijn het rode hond vaccin (BMR-vaccin) dat tot 50% van de GAD-gen-werking kan verminderen en streptokokken die tevens een verminderde GAD-werking tot gevolg hebben. Een verminderde GAD-werking leidt tot een verminderde GABA-werking en glutamaatdominantie. Het is vanuit deze optiek niet te verwonderen dat sommige vaccins kenmerken of aandoeningen veroorzaken die kunnen leiden tot autisme en ADHD.

SNP’s zijn kleine variaties (mutaties) in het DNA van de genen, waardoor het gen zich anders gedraagt. Er zijn ongeveer 17 miljoen verschillende SNP’s bekend bij de mens. Gemiddeld heeft een individu zowat 1.000 SNP’s. SNP’s vertellen het verhaal over de genetische defecten of variaties. In het geval van hypomethylatie speelt de omgeving een belangrijke zo niet een nog belangrijkere rol dan SNP’s. Onderzoek wijst uit dat ouderlijke aandacht heeft invloed op de kwaliteit van de methylering. Bij ratten waarbij de moeder frequent werd verwijderd van de baby-ratten, zag men een sterk verminderde methylatie van het GAD-enzym in de hippocampus tegenover baby-ratten die normale moederaandacht kregen ref. De hippocampus is het hersendeel dat stress en negatieve ervaringen moet verwerken. Minder GABA en meer glutamaat leidt tot onrust, spanningen, angsten en trauma’s. Ook omgevingsfactoren zoals belastende stress, overgewicht, alcohol, trauma’s, geneesmiddelen en troostvoeding hebben invloed op de hypomethylatie van verschillende genen.

De genetische testen zijn niet in staat om het netto effect van de hypo- en hypermethylatie te duiden van de verschillende SNP’s. Bovendien hebben de meeste SNP’s nauwelijks invloed op de enzymatische werking. De impact van de SNP’s zijn afhankelijk van meerdere factoren zoals leeftijd, constitutie, voeding, beweging, stress en andere factoren. Volgens een onderzoek van de ‘American College of Medical Genetics and Genomics’ hebben 40% van de commerciële testen vals-positieve resultaten ref. De resultaten van de genetische screening dienen dus met de nodige voorzichtigheid geïnterpreteerd te worden.

De volgende genen zijn frequent onder-gemethyleerd:

  • POMC: aanmaak van endorfine
  • OPRM1: aanmaak endorfine-receptoren, reguleert de gevoeligheid van endorfine, bij verminderde methylatie treedt endorfineresistentie op
  • COMT en MAO A: neurotransmitters en oestrogenen
  • CBS: verwerkt homocysteïne en indien upgereguleerd vermindering van methylgroepen en toename taurine
  • MTR/MTRR: recycleert B12 en vormt B12 voor de methionine productie van de GSTM1 en SOD: dit zijn belangrijke detox-enzymen
  • GAD: omzetting van glutamaat in GABA
  • HNMT: afbraak intracellulaire histamine (het andere enzym is DAO, afbraak extracellulaire histamine)
  • QDPR: recycleert BH4: afbraak phenylalanine, synthese van serotonine, dopamine, melatonine, adrenaline en noradrenaline, cofactor in de productie van NO (stikstofmonoxide)
  • NOS: verwerkt ammoniak en vormt NO (stikstofmonoxide) uit arginine
  • SUOX: verwerkt sulfiet/sulfaat, deze mutatie veroorzaakt upregulatie van CBS
  • BHMT: zet homocysteïne om in methionine met betaïne als methyldonor
  • MAT1A: codeert de aanmaak van SAMe
  • SAHH: codeert de omzetting naar L-homocysteïne en adenosine

DPP-IV gen methylatie

Het DPP-IV gen is betrokken bij meer dan 70 substraatfuncties, kankerpreventie en cholesterol. Methylatieconflicten van het DPP-IV gen staan in verband met een toename van kanker ref , diabetes type 2 ref, verhoogde cholesterol ref, scoliose ref, en leververvetting ref mannligapotek.com. Een te hoge glucosespiegel vermindert de methylatie van het DPP-IV gen ref . Exorfinen veroorzaken verminderde DPP-IV methylatie ref, doordat ze de opname van cysteïne blokkeren ref. Door de verminderde cysteïne opname neemt de detox-capaciteit van de P450 enzymen af. Cysteïne is essentieel voor het methyleren van andere genen, wegens de vorming van gluthation.